
Eens terug aan land en dan uw collega’s terughoren, dat moet wel tof zijn.
Dat schrijft Jan De Maeva-fan in een reactie op mijn Noordzee-dagboek, waarvan het laatste fragment vanochtend (via de automatische piloot) werd gepubliceerd. Awel ja, Janneman, dat was een hele rare, ook wel opwindende ervaring toen ik op 16 augustus 1979 de Magdalena verliet met een tender die mij naar Blankenberge bracht (stiekem! want het mocht nog altijd niet van de polies!). En toen kon ik nog niet eens direct naar huis, ik moest een nacht blijven slapen bij een sympathieke mede-crimineel die af en toe zorgde voor het van boord halen van één of meer boeven van het piratenschip.
Ja mannen, dat was een hele onwerkelijke, opwindende (bijna geile) ervaring. Zo plots vaste grond onder mijn voeten voelen na 5 weken verblijf op een bewegende boot. Echt waar, als het niet zo belachelijk zou klinken, dan zou ik zeggen dat ik lichtjes zeeziek werd bij het betreden van de Blankenbergse grond. Het schijnt dat daar een echt woord voor bestaat, alleen heet het dan landziek. Zonder gezever.
Bij die man thuis (hij had ook een sympathieke vrouw, ik ben de naam van het echtpaar vergeten) stond de radio, hoe kan het ook anders, op Mi Amigo. En daar hoorde ik de stem van Ferry Eden.
En ik kon het niet geloven. Dat ik een paar uur geleden nog maar, op dat schip had gezeten, met Ferry en de anderen. Ik kan er maar één zinnetje voor bedenken om dat gevoel te beschrijven.
Het was precies niet echt gebeurd.
Twee weken daarna belden ze mij op. Ik mocht terug aan boord, als ik zin had.
Hoezo als ik zin had? Bestonden er dan mensen die geen zin zouden hebben om aan boord te gaan zitten? Ik dacht terug aan Tom De Bree, de jonge gast die nog geen 24 uur aan boord was gekomen, één keer programma had gedaan en er weer af wilde. Ja, blijkbaar bestonden er dus mensen die geen zin hadden. Ik was zeker niet zo iemand. Ik begon de maand september van dat zalige jaar 1979 opnieuw aan boord van de parel van de Noordzee. Het zou deze keer amper twee weken duren voor het avontuur echt voorbij was.
In die tijd geloofde ik nog niet in mijn latere levensmotto.
Alles gaat voorbij? Bijlange niet. Dit toch niet, zeker? Hoe kan dat nu voorbij zijn? Maar hoe bozer ik me voelde en hoe meer ik een middelvinger naar het universum opstak, hoe minder het nièt voorbij ging.
